|
|
| |
| 350 |
| |
| Teneinde te kunnen beoordeelen in welke opzichten de beroepsindeeling der in ons land wonende vreemdelingen verschilt van die der geheele bevolking, dienen achtereenvolgens voor elk der drie genoemde groepen van vreemdelingen uit de hiervoor gegeven cijfers gelijksoortige verhoudingscijfers te worden berekend als in het eerste gedeelte van dit hoofdstuk voor de totale bevolking is geschied.
|
| |
| VERHOUDING DER BEROEPSLOOZEN TOT HET TOTAAL BIJ DE GEHEELE BEVOLKING EN BIJ DE VREEMDELINGEN. |
| |
 |
| |
Deze cijfers wijzen er op, dat zich onder de in ons land wonende vreemdelingen bij de beide geslachten relatief minder beroepsloozen bevinden dan bij de geheele bevolking en dat dit aantal bij de mannelijke Belgen en bij de vrouwelijke Duitschers relatief het geringste is.
Over het verschil in opbouw naar den leeftijd bij de beroepsloozen, verspreidt het volgende tabelletje licht en doet zien dat het betrekkelijk gering aantal beroepsloozen wordt veroorzaakt door de geringe sterkte der meest jonge leeftijdsklasse, |
| |
 |
| |
Uit deze cijfers blijkt, dat er in de verhoudingen der leeftijdsverdeeling bij de verschillende groepen van vreemdelingen onderling groote verschillen bestaan, terwijl die verhoudingen voor iedere groep op zich zelf weder belangrijke afwijkingen vertoonen van de verhoudingscijfers der totale bevolking.
Het relatief aantal personen beneden 12 jaar is bij beide geslachten in de drie groepen van vreemdelingen veel geringer dan bij de totale bevolking, terwijl slechts met enkele uit- |
| |
|
|
|
| |
| 351 |
| |
zonderingen, alle andere leeftijdsklassen sterker vertegenwoordigd zijn. De grootste verschillen worden vooral bij de mannen waargenomen in de leeftijdsklassen van 18-60 jaar.
De leeftijdsverhoudingen bij de Belgen komen die der totale bevolking het meest nabij, terwijl die der overige vreemdelingen grootere afwijkingen vertoonen.
Hoe de verdeling der eenig beroep uitoefenende vreemdelingen over de hoofdgroepen van bedrijven is geweest en hoe deze cijfers van die der totale bevolking afwijken, wordt door het volgende staatje toegelicht (ook thans worden de losse werklieden buiten rekening gelaten, zie blz. 172). |
| |
 |
| |
Ook hier openbaren zich zoowel tusschen de cijfers der groepen van vreemdelingen onderling als tusschen die van elke groep op zich zelf en de cijfers der geheele bevolking belangrijke verschillen.
Bij de mannelijke Duitschers en de mannelijke overige vreemdelingen trekt de nijverheid relatief het grootst aantal personen, daarop volgen bij die beide groepen van vreemdelingen handel en verkeer, dan de vrije en overige beroepen, vervolgens de landbouw en ten laatste de huiselijke diensten. Bij de mannelijke Belgen is de rangorde de volgende: landbouw, nijverheid, handel, vrije en overige beroepen en huiselijke diensten. Ook bij de vrouwen is de loop der verhoudingen bij de Duitschers parallel met die der overige vreemdelingen. Hier zijn het echter de vrije en overige beroepen die relatief het sterkst zijn bezet; dan volgen huiselijke diensten, daarna handel en verkeer, dan de nijverheid, terwijl de landbouw, vooral bij de overige vreemdelingen, zeer weinig vrouwen bezig houdt. De vrouwelijke Belgen zijn daarentegen bij den landbouw het sterkst vertegenwoordigd, iets minder bij huiselijke diensten en het geringst in de vrije en overige beroepen.
De arbeid van vrouwen in totaal is bij alle drie de groepen van vreemdelingen relatief grooter dan bij de totale bevolking, zooals uit onderstaand overzicht blijkt. |
| |
 |
| |
| Bij de Duitschers en de overige vreemdelingen komen relatief weinig arbeidsters voor in de nijverheid, den landbouw, de visscherij en de jacht, den handel en het verkeer en bij |
| |
|
|
|
| |
| 352-353 |
| |
| de huiselijke diensten, doch is vrouwenarbeid zeer veelvuldig in de vrije en overige beroepen (in hoofdzaak bij het onderwijs en, wat de Duitschers betreft ook in den verplegingsdienst). Bij de Belgische vrouwen is de nijverheid even sterk bezet als dit bij de totale bevolking het geval is, maar zijn het vooral landbouw, handel en verkeer en ook de vrije en overige beroepen, die, vergeleken met de totale bevolking, eene relatief zeer sterke bezetting hebben.
De volgende tabel geeft voor de Nijverheids- en de Handelsbedrijven aan hoe de procentsgewijze verhoudingen der verschillende positiën zijn, die door de verschillende groepen van vreemdelingen in de beroepen worden bekleed in vergelijking met die der geheele bevolking. |
| |
 |
| |
| Bijna zonder uitzondering is in alle groepen van bedrijven niet alleen het aantal bedrijfshoofden relatief belangrijk veel grooter bij de drie rubrieken van vreemdelingen dan bij de totale bevolking, maar zijn ook de percentages der personen in de positie C bij de eersten bijna overal relatief hooger dan bij de laatste. Dit zal wel voor een deel het gevolg zijn daarvan, dat de jeugdige leeftijdsklassen, die meestal personen in de positie D tellen, bij de vreemdelingen relatief minder talrijk zijn bezet dan bij de totale bevolking, zooals uit onderstaande cijfers blijkt. |
| |
| [Op 100 in de verschillende beroepsgroepen arbeidenden komen in de verschillende leeftijdsklassen. Mannen.] |
| |
 |
| |
| [Op 100 in de verschillende beroepsgroepen arbeidenden komen in de verschillende leeftijdsklassen. Vrouwen.] |
| |
 |
| |
| Groepeeren we de leeftijdsklassen tot 3 klassen, beneden 18, 18-60 en boven 60 jaar, dan krijgen we de volgende cijfers die meer overzichtelijk zijn. |
| |
|
|
|
| |
| 354 |
| |
| [3 groepen van leeftijdsklassen. Mannen.] |
| |
 |
| |
| [3 groepen van leeftijdsklassen. Vrouwen.] |
| |
 |
| |
Uit deze cijfers blijkt duidelijk dat bij beide geslachten, bijna zonder uitzondering, de lagere leeftijdsklassen bij de vreemdelingen zwakker zijn bezet dan dit bij de totale bevolking het geval is, en dat behalve bij den landbouw, waar de hoogste leeftijdsklassen bij de vreemdelingen relatief veel hooger percentages vertoonen dan bij de totale bevolking, bij de andere groepen de middelste leeftijdsklassen relatief de sterkste bezetting hebben.
Ten slotte wordt hieronder nog een overzicht gegeven van de verdeeling der vreemdelingen naar den burgerlijken staat, eveneens vergeleken met die verdeeling bij de totale bevolking. |
| |
 |
| |
Bij de mannen, maar vooral bij de vrouwen, is het aantal gehuwden in de nijverheidsbedrijven bij alle vreemdelingen belangrijk grooter dan bij de totale bevolking. Ook in den landbouw is dit het geval, met uitzondering van de vrouwelijke overige vreemdelingen.
In den handel is het relatief aantal gehuwde mannen onder de vreemdelingen beduidend grooter dan bij de totale bevolking, doch bij de vrouwen is juist het tegenovergestelde het geval.
Bij de vrije en overige beroepen vertoont het cijfer der gehuwde mannelijke Duitschers in vergelijking met die der andere vreemdelingen en der totale bevolking, een zeer laag percentage, gevolg van het betrekkelijk groot aantal ordebroeders en geestelijken onder hen, die in hoofdzaak bij het onderwijs werkzaam zijn. |
| |
| ____________ |
| |
|
|