Image 01_0278b, Chapter V, p. 355 
Chapter IV-3, p. 354   p. 356   Bottom
 
HOOFDSTUK V.

Woningstatistiek.
__________

 
      Tot goed verstand van de absolute cijfers en de daaruit berekende verhoudingscijfers die in dit hoofdstuk voorkomen, alsmede van de daaraan vastgeknoopte beschouwingen, wordt hier nog eens in hoofdzaak herhaald wat reeds in de Inleiding tot de uitkomsten der woningstatistiek is medegedeeld.
      De cijfers der woningstatistiek zijn ontleend aan de opgaven door hoofden van gezinnen en afzonderlijk levende personen verstrekt op de kaarten der volkstelling.
      Aan dezen toch werden de volgende drie vragen gesteld, waarvan de eerste uit den aard der zaak door afzonderlijk levende personen niet behoefde te worden beantwoord.
a.Hoeveel personen wonen in zijn (haar) gezin te zamen? Hij (zij) zelf(ve) medegerekend.
b.Hoeveel vertrekken bewoont hij (zij) met zijn (haar) gezin? (keukens, glasdichte serres en alcoven mede te rekenen; bedsteden niet. Kelders, zolders en stallen alleen dan mede te rekenen, als zij bewoond worden of aldaar geregeld nachtverblijf gehouden wordt. Winkelruimten niet mede te rekenen. Zij, die een schip of wagen bewonen, moeten dit hier bovendien vermelden).
c.Hoeveel dezer vertrekken staan door een raam of deur in onmiddellijke gemeenschap met de buitenlucht?
      Waar bij de bewerking bleek dat de beantwoording dier vragen door de betrokken personen niet of onvolledig was geschied, of wanneer bleek, dat het aantal kaarten, in den gezinsomslag aanwezig, niet in overeenstemming was met de beantwoording van vraag a door het hoofd des gezins, of indien het aantal vertrekken bij c genoemd grooter was dan dat bij b vermeld, zoodat vermoedelijk de aantallen ramen en deuren in plaats van dat der vertrekken was opgegeven, dan werd de kaart ter aanvulling of verbetering teruggezonden.
      Deze punten waren de eenige, die tijdens de bewerking door het Centraal-Bureau voor de Statistiek aan contrôle konden worden onderworpen. Op andere punten (of het aantal vertrekken juist was vermeld, en bijv. glasdichte serres, keukens en alcoven wel steeds, zolders, kelders en stallen, voor zoover zij werden bewoond of geregeld werden beslapen, als vertrekken waren medegerekend, en of omgekeerd niet ook zolders enz., die niet werden geregeld bewoond of beslapen, als vertrekken waren medegeteld; en of het aantal vertrekken bij c vermeld, niet te groot of te klein was opgegeven) was contrôle, althans gedurende de bewerking te eenen male onmogelijk. In hoeverre de tellers in staat zijn geweest op de beantwoording der vragen b en c eenige rechtstreeksche contrôle uit te oefenen, blijkt niet.
      Ofschoon het aanvankelijk in de bedoeling lag alle hoofden van gezinnen en afzonderlijk levende personen in deze statistiek te betrekken, bleek bij de bewerking, dat enkele categorieën dezer personen noodzakelijk buiten deze statistiek moesten blijven, terwijl het voor andere beter werd geacht haar daarin niet op te nemen.
      Tot de eerste categoriën behoorden de gezinshoofden of afzonderlijk levende personen,
 

Image 01_0279a, Chapter V, p. 356 
Top   p. 355   p. 357   Bottom
 
356
 
die wel opgegeven hadden in eene gemeente werkelijke woonplaats te hebben, doch wier woonplaats aldaar niet was gevonden, en de gezinshoofden en afzonderlijk levende personen die, zonder zich uit het bevolkingsregister te hebben laten afschrijven (de eersten met hunne gezinnen), tijdelijk in het buiteland vertoefden en in de gemeenten hunner werkelijke woonplaatsen op het oogenblik der volkstelling geene woningen hadden.
      Tot de andere categorieën behooren in de eerste plaats de, niet tot de eigenlijke gestichtsbevolking behoorende, doch desondanks in gestichten levende gezinnen of afzonderlijk levende personen, omdat zij in vele gevallen, men denke aan bewoners van kloosters, kazernen, krankzinnigengestichten, kostscholen en dergelijke, wat hunnen woningtoestand betreft, in bijzondere omstandigheden verkeeren en het vaak moeilijk is uit te maken hoeveel vertrekken in de instellingen door hen worden bewoond. Het scheen daarom gewenscht de bevolking der gestichten geheel buiten deze statistiek te laten. Voorts zijn niet opgenomen de schippers, voor zooveel zij in schepen woonden, alsmede zij die in bewoonde wagens leefden, omdat door enkele gemeentebesturen op de onbetrouwbaarheid der gegevens betreffende de woongelegenheid dier personen was gewezen, terwijl meestal, wegens afwezigheid der schepen of wagens, contrôle niet mogelijk was, en om dezelfde reden verbetering of aanvulling van foutief of niet beantwoorde vragen achterwege moest blijven.
      De statistiek geeft voor elk der gemeenten met meer dan 10000 zielen, met onderscheiding naar de wijken, afdeelingen, buurten, dorpen enz. (voor zooveel eene dergelijke verdeling bestond) voor de groepen der gemeenten in iedere provincie en in het Rijk en voor iedere provincie en het Rijk zelf, in tabel I een overzicht van het totaal aantal bewoonde woningen, gesplitst naar het aantal bewoonde vertrekken, met vermelding van het aantal dier laatste, die niet door een deur of raam in onmiddellijke gemeenschap met de buitenlucht stonden, en van het aantal personen, die in de verschillende soorten van woningen woonden.
      In tabel II is voor dezelfde territoriën als in tabel I het aantal woningen verdeeld naar het aantal bewoonde vertrekken, in verband met het gemiddeld aantal personen per vertrek.
      In tabel III zijn de hoofden van gezinnen onderscheiden naar de hoofdklassen, voor de beroepstelling van 31.December 1899 aangenomen, en daarbij afzonderlijk vermeld, hoeveel van die hoofden in elke beroepsklasse met hunne gezinnen woonden in woningen met gemiddeld meer dan 2 personen per vertrek.
 
      Eene volledige woningstatistiek kan de inhoud dezer drie tabellen zeker niet worden genoemd. Daarvoor toch zouden meedere punten dan de bovengenoemde (als: grootte der vertrekken, slaapgelegenheden, drinkwatervoorziening, vochtigheid, toestand der riolen en privaten, bouwvalligheid en dergelijke) in het veld van onderzoek moeten zijn betrokken. Het is intusschen niet mogelijk deze gegevens ter gelegenheid eener volkstelling te verzamelen; zij zullen alleen door speciale plaatselijke enquêtes, gelijk reeds meermalen in verschillende gemeenten werden ingesteld, te verkrijgen zijn.
       Uit den inhoud dezer drie tabellen zijn de hiernavolgende samenvattende overzichten en verhoudingsgetallen berekend.
 

      In de eerste plaats geeft nevenstaande tabel zoowel in absolute cijfers als in verhoudingscijfers voor elke provincie, voor de 9 groepen van gemeenten, voor het Rijk en voor de 8 gemeenten met meer dan 50 000 inwoners, een overzicht van het aantal woningen, verdeeld naar het aantal vertrekken. Tevens wordt daarbij vermeld hoeveel ten 100 van de vertrekken niet met de buitenlucht in onmiddellijke gemeenschap staan.

 

Image 01_0279b, Chapter V, p. 357  
Top   p. 356   p. 358   Bottom
 
357
 
TOTAAL AANTAL WONINGEN VERDEELD NAAR HET AANTAL VERTREKKEN MET VERMELDING HOEVEEL VERTREKKEN IN VERHOUDING TOT HET TOTAAL NIET IN ONMIDDELIJKE GEMEENSCHAP MET DE BUITENLUCHT STAAN.
 
Tabel 097, Chapter V, p. 357
 

Image 01_0280a, Chapter V, p. 358  
Top   p. 357   Chapter V, p. 359   Bottom
 
358
 
      Uit de cijfers voor de provinciën, die vrij sterk uiteenloopen, blijkt, dat in alle provinciën, met uitzondering van Limburg, het meerendeel der woningen bestaat uit woningen met een of twee vertrekken en dat in de drie noordelijke provinciën de grootste helft der woningen slechts één vertrek heeft: Drenthe 2/3, Friesland 5/8 en Groningen ruim de helft.
      Een zeer gering relatief aantal een-kamerwoningen wordt aangetroffen in de provincie Limburg, slechts circa 8% van alle woningen, waarop Noordbrabant met ruim 17½ % en Utrecht met 19½ % volgen. Boven het gemiddelde voor het Rijk liggen nog Overijssel met 38½ % en Zeeland met 34½ %.
      In de provinciën, die wat de een-kamerwoningen betreft, beneden het gemiddelde voor het Rijk liggen, is het relatief aantal woningen met twee vertrekken steeds grooter dan dat der een-kamerwoningen en nemen daar, met uitzondering van Limburg, overal het hoogste percentage in; in de overige provinciën is juist het tegenovergestelde het geval.
      In het Rijk in zijn geheel is het aantal twee-kamerwoningen het grootst in aantal, doch weinig grooter dan dat der woningen met 1 vertrek, zij maken samen 59 % uit van het totaal aantal woningen.
      Uit de verhoudingscijfers betreffende de ruimere woningen die, mede afhankelijk zijnde van de hiervoor bedoelde, daar zij met deze steeds 100 maken, in het daaromtrent medegedeelde tevens zijn toegelicht, blijkt nog, dat overal eene afneming bestaat in het relatief aantal naarmate de ruimte grooter wordt. In Limburg, waar het aantal woningen met 3 vertrekken vermoedelijk het grootst is, bijna 22 %, worden weliswaar 32 ½ % woningen met 4 en 5 vertrekken aangetroffen, doch dit zijn twee soorten van woningen wat de ruimte betreft en zal dit percentage ook wel de som zijn van twee percentages, die vermoedelijk ieder kleiner dan 22 % zijn.
      Een relatief groot aantal ruime woningen, d. i. met 6 of meer vertrekken, wordt aangetroffen in Limburg 16 %, in Gelderland 10,7 %, in Utrecht 10,4 % en in Zuidholland 9,2 %. Zeer laag staan hier de noordelijke provinciën Friesland en Drenthe ieder met 2,6 % en Groningen met 4 ½ %.
      In de groepen van gemeenten met minder dan 20 000 inwoners is het aantal één-kamerwoningen relatief grooter, naarmate de gemeenten meer inwoners tellen en is het relatief aantal twee-vertrekswoningen overal vrij gelijk aan het gemiddeld aantal voor het Rijk.
      In de 3 groepen van voornaamste gemeenten is het aantal een-kamerwoningen geringer dan in eenige andere groep; het kleinste percentage vertoont de groep van 50001 tot 100000 inwoners, 18 %. Daartoe hebben vooral bijgedragen Arnhem en Haarlem, waar het relatief aantal dier woningen slechts circa 10 % bedraagt. Het hooge percentage van Groningen, de voornaamste gemeente dier groep, van 34,8 %, heeft het algemeen percentage op 18 gebracht, want Leiden, de laatste der tot die groep behoorende gemeente, heeft ook slechts 15 % een-vertrekswoningen.
      In de groepen van gemeenten is het aantal een- en twee-vertreks woningen, met uitzondering van de twee groepen van voornaamste gemeenten, overal grooter dan de helft en wel 51,2 % voor de groep van allerkleinste gemeenten en dan opklimmend naarmate de gemeenten grooter worden tot 66,8 % in de gemeenten met 10 001-20 000 inwoners, om dan voor de volgende drie groepen te dalen tot resp. 54,1 %, 49,7 % en 48,7 %.
      In de drie groepen van kleinste gemeenten en in de drie groepen van grootste gemeenten is het relatief aantal twee-vertrekswoningen het grootst in aantal, in de drie groepen van middelbare gemeenten zijn het de een-vertrekswoningen.
      Ook in de groepen van gemeenten wordt het relatief aantal ruimere woningen minder naarmate het aantal vertrekken toeneemt.
 

Top   p. 357   Chapter V, p. 359