|
|
| |
| 362-365 |
| |
| AANTAL BEWOONDE WONINGEN GESPLITST NAAR HET AANTAL BEWOONDE VERTREKKEN IN VERBAND MET HET GEMIDDELD AANTAL BEWONERS PER VERTREK. Absolute cijfers. |
| |
 |
| |
| VERHOUDINGSCIJFERS (HET TOTAAL AANTAL WONINGEN MET HET VERMELD AANTAL VERTREKKEN TELKENS GELIJK 100 GESTELD). |
| |
 |
| |
| VERHOUDINGSCIJFERS (HET TOTAAL AANTAL WONINGEN MET HET VERMELD AANTAL PERSONEN PER VERTREK TELKENS GELIJK 100 GESTELD). |
| |
 |
| |
Beschouwen wij in de eerste plaats in de eerste reeks verhoudingscijfers op blz. 362/3, die aanwijzen hoeveel % van het aantal woningen met een zeker aantal vertrekken worden bewoond door gemiddeld 1 persoon of minder per vertrek, of gemiddeld meer dan 1 tot en met 2 personen enz., de cijfers voor het totaal der woningen, dan blijkt dat in het Rijk en in de groepen der gemeenten met meer dan 20 000 inwoners, het relatief aantal woningen afneemt naarmate het aantal bewoners per vertrek grooter wordt en dat dit voor alle afzonderlijk genoemde gemeenten, alsmede voor de provinciën, weder met uitzondering van de 4 noordelijke provinciën alsmede van Noordbrabant en Zeeland, ook het geval is. In Zeeland en de vier groepen van kleinste gemeenten is het aantal woningen met gemiddeld 1 tot en met 2 personen relatief het grootst en in de noordelijke 4 provinciën en de groepen van gemeenten van 5 001-20 000 inwoners dat van woningen met gemiddeld meer dan 2 tot en met 3 personen per vertrek.
In de verschillende groepen van woningen naar het aantal vertrekken zijn de verhoudingen in de meeste gevallen geheel anders dan voor het totaal der woningen en wordt in het algemeen de toestand ongunstiger naarmate de woningen kleiner worden.
In de woningen met 6 of meer vertrekken is overal hoog en meest al zeer hoog, gemiddeld 85 %, het relatief aantal woningen met 1 persoon of minder per vertrek, komen voorts nog heel geringe percentages voor voor de woningen met meer dan 2 tot en met 3 personen per vertrek, en nergens woningen met een grooter bevolking per vertrek, zoodat de rest van de 100 % wordt ingenomen door woningen met gemiddeld meer dan 1 tot en met 2 personen per vertrek. In de noordelijke provinciën en Zeeland is in deze groep van woningen het aantal woningen met meer dan 1 tot en met 2 personen hooger dan in de overige provinciën en daarmede gaan gepaard lagere cijfers voor de woningen met 1 persoon of minder.
In de groepen van gemeenten stijgt in deze groep van ruime woningen het aantal woningen met 1 persoon of minder met het grooter worden der gemeenten, en daalt dientengevolge dat der woningen met gemiddeld meer dan 1 tot en met 2 personen, alleen in de groep der grootste gemeenten is een kleine omkeer bij haar voorgangster te merken. Bij de 8 groote gemeenten is het relatief aantal woningen met 1 persoon of minder per vertrek overal hooger dan het gemiddelde voor het Rijk, en dus de andere overal lager. 's-Gravenhage heeft hier de gunstigste cijfers, Amsterdam de ongunstigste.
In de daarop volgende groep van minder ruime woningen, d. i. die met 3 tot en met 5 vertrekken, is het aantal woningen met meer dan 1 tot en met 2 personen gemiddeld het grootst (voor het Rijk ruim 42 %) en is dit, met uitzondering van de beide Hollanden en Utrecht met alle overige provinciën en de groepen van gemeenten met 20 000 en minder inwoners, ook het geval.
In de beide Hollanden, Utrecht, de groepen van gemeenten met meer dan 20 000 inwoners en de 8 voornaamste gemeenten, is ook hier nog het aantal woningen met gemiddeld. 1 persoon of minder per vertrek, het grootst. Drenthe vertoont hier ook een zeer hoog cijfer, bijna 24 %, woningen met meer dan 2 tot en met 3 personen per vertrek, terwijl overal slechts een zeer klein aantal woningen worden aangetroffen met meer dan 3 personen per vertrek. Voor de groepen van gemeenten valt weder denzelfden loop waar te nemen als bij de groep der ruimere woningen: een toenemend relatief aantal woningen met 1 persoon en minder |
| |
|
|
|
| |
| 366 |
| |
per vertrek, naarmate de gemeenten meer inwoners tellen, en eene afneming van de meer bevolkte woningen. Ook voor deze groep van woningen vertoont 's-Gravenhage de gunstigste cijfers, maar zijn Leiden en Haarlem ongunstiger dan de overige gemeenten.
In de groep der woningen met 2 vertrekken vertoonen voor het Rijk in zijn geheel die woningen het hoogste percentage, waarin gemiddeld meer dan 2 tot 3 personen per vertrek huisvesten en dit is overal, met uitzondering van de gemeente 's-Gravenhage, het geval. Terwijl dit cijfer in het Rijk bijna 38 % bedraagt, is het vooral in Overijssel en Drenthe zeer hoog, resp. 45,4 % en 51,1 %.
In de groepen van gemeenten nemen die relatieve aantallen van de kleinste tot de groep der gemeenten met 10 000 of minder inwoners toe, om dan weder naar de grootere gemeenten in sterker mate af te dalen, zoodat de groep der grootste gemeenten de kleinste percentages heeft.
Van de minder bevolkte woningen is overal, behalve in Amsterdam, 's-Gravenhage, Utrecht en Leiden, het relatief aantal woningen met 1 persoon of minder per vertrek, kleiner dan dat der woningen met meer dan 1 tot en met 2 personen per vertrek en begint het percentage der woningen met meer dan 3 personen per vertrek hier reeds van beduidende beteekenis te worden, gemiddeld 6,4 %. Vrij hoog is dit aantal hier reeds, in Drenthe 8,9 % en in Zeeland 8,1 %.
In de een-kamerwoningen is gemiddeld voor het Rijk het grootste relatieve aantal woningen dat met meer dan 3 personen per vertrek, het bedraagt 33,9 %. Boven dat gemiddelde liggen van de provinciën in afdalende orde Drenthe met 49,2 %, Overijssel met 39,7 %, Gelderland met 39,3 % en Groningen met 37,3 %. De overige provinciën zijn meer of minder beneden dat gemiddelde, in Limburg is het het laagst en bedraagt het slechts 19.1 %.
Niet alle provinciën verkeeren in denzelfden toestand als het Rijk. In sommige toch is het aantal woningen met meer dan 2 tot en met 3 personen per vertrek het grootst in relatief aantal en wel in Noordholland, Zeeland, Friesland en Limburg.
In de twee groepen van kleinste gemeenten en in de groep der allergrootste gemeenten is ook het aantal woningen met meer dan 2 tot en met 3 personen per vertrek het grootst in relatief aantal en van de afzonderlijk genoemde gemeenten, hebben Amsterdam, 's-Gravenhage, Utrecht, Leiden en Haarlem relatief het grootst aantal een-kamerwoningen met 1 persoon of minder per vertrek, terwijl Arnhem en Groningen juist het grootst aantal meest bevolkte woningen hebben. |
| |
Het tweede stel verhoudingscijfers wijst telkens aan hoeveel woningen met een gemiddeld aantal personen per vertrek per 100 komen voor rekening van woningen met 1 vertrek, 2 vertrekken enz. Deze verhoudingscijfers houden ten nauwste verband met de hiervoor besprokene en vinden in de daarover geleverde beschouwingen mede hunne toelichting. Voor de meest bevolkte woningen komen de ongunstige verhoudingen echter beter aan het licht.
In woningen met 1 persoon of minder per vertrek, dat zijn dus de minst bevolkte woningen, worden met slechts eene uitzondering (Friesland) in het grootst aantal gevallen 3-5 vertrekken aangetroffen en vindt men daaronder in de meeste gevallen een relatief gering aantal woningen met 1 vertrek. Deze laatste worden bewoond door afzonderlijk levende personen.
In woningen met meer dan één tot en met twee personen per vertrek is eveneens met uitzondering van de 3 noordelijke provinciën het aantal woningen met 3-5 vertrekken het grootst, terwijl weder met uitzondering van de 3 noordelijke provinciën waar de een-vertrekswoningen relatief het grootst zijn, in de meeste gevallen slechts 2 vertrekken worden aangetroffen in woningen met meer dan 2 tot en met 3 personen per vertrek. In de meest bevolkte woningen, dat zijn die met meer dan 3 personen per vertrek, treft men van 10 woningen gemiddeld 8 met één vertrek aan. De provincie Limburg maakt hier met Haarlem eene |
| |
|
|
|
| |
| 367 |
| |
| betrekkelijk gunstige uitzondering daar het betrekkelijk aantal een-vertrekswoningen hier slechts even grooter dan de helft is. |
| |
Ten slotte wordt hierachter een overzicht gegeven voor elke beroepsklasse, volgens de beroepstelling van 1899, van het aantal hoofden van gezinnen, in de verschillende positiën arbeidende, wonende in woningen met meer dan twee personen per vertrek in % van het totaal aantal hoofden van gezinnen in elke klasse en in elke positie. Daar het aantal personen in de positie B doorgaans vrij gering is, zijn zij met de personen in de positie A, als bedrijfshoofden, te zamen genomen.
Er dient op gewezen dat de indeeling der beroepen in de klassen geheel in overeenstemming is met de uitkomsten der beroepstelling van 1899, zoodat alle personen, onverschillig in welke functiën zij in de bedrijven werkzaam waren, tot de bedrijven zijn gerekend. Voorts dat de categoriën van personen, die in de beide andere tabellen der woningstatistiek buiten beschouwing zijn gebleven, zie blz. 355/6, ook hier niet zijn medegeteld.
Ter beoordeeling, of de percentages berekend zijn uit meer of minder groote getallen, moet voor de provinciën, de groepen van gemeenten en de afzonderlijk genoemde gemeenten, worden verwezen naar de Uitkomsten der Woningstatistiek zelve. Voor het Rijk in zijn geheel volgen de absolute cijfers hieronder. |
| |
 |
| |
| KLASSEN, WAARIN DE PERSONEN NIET ZIJN ONDERSCHEIDEN NAAR DE POSITIËN. |
| |
 |
| |
|
|
|
| |
| 368-373 |
| |
| PROCESGEWIJZE VERHOUDING VAN HET AANTAL GEZINSHOOFDEN, WONENDE IN WONINGEN MET MEER DAN 2 PERSONEN PER VERTREK, GESPLITST NAAR DE BEROEPSKLASSEN EN DE POSITIE IN HET BEROEP (A + B, C EN D) TOT HET TOTAAL AANTAL GEZINSHOOFDEN IN DIE BEROEPSKLASSE IN ELK DER GENOEMDE POSITIËN VOORKOMENDE. |
| |
 |
| |
| Ons bij de beschouwing van bovenstaande cijfers tot de hoofdzaken beperkend, volge hier in de eerste plaats eene vergelijking tusschen de cijfers der groote groepen van de bevolking in het Rijk in zijn geheel. |
| |
 |
| |
Het lage cijfer der gepensionneerden zal wel voor een groot deel het gevolg zijn van het feit, dat deze personen in de meeste gevallen in de hoogere leeftijdsklassen vallen, en daardoor meestal, door vertrek uit de gezinnen en overlijden der kinderen, kleine gezinnen hebben. Deze omstandigheid zal, althans ten deele, ook het percentage der beroepsloozen vrij laag hebben gemaakt, al zal hier wel de hoofdzaak zijn, dat personen, die van eigen vermogen gaan leven, dit niet zullen doen, voor zij zich eene eenigszins ruime woongelegenheid hebben kunnen verzekeren.
Bij de een beroep uitoefenende bevolking is bij de vrije beroepen het percentage het laagst, gevolg hiervan dat het grootste deel der hiertoe behoorende hoofden van gezinnen beroepen uitoefenen, wier bezoldiging hen in staat stelt of wier positie hen noopt voldoende ruim te wonen.
Van de beroepsgroepen, waarbij de personen zijn ingedeeld naar de verschillende positiën iu de beroepen bekleed. heeft de visscherij het hoogste percentage, en niet alleen in totaal maar ook in de positiën A + B en C. Voor de personen in positie D staat de landbouw het hoogst met 69,6 %, terwijl de visscherij 68,5 % hoofden van gezinnen telt die in woningen met meer dan 2 personen per vertrek wonen. Deze beide percentages zijn hooger dan die van de losse werklieden, eveneens personen in de positie D, bij welke het 61,5 % bedraagt. De gunstigste percentages in de 3 positiën worden in de handelsbedrijven waargenomen, waarop de nijverheid volgt.
Opmerking verdient dat in de vier groepen, waarin naar de positiën onderscheiden is, de personen in de positie C overal de kleinste percentages vertoonen. Vooral in den handel is dat percentage veel lager dan bij de personen in de positie A en B. Hier behooren de personen in de positie C meerendeels tot het kantoorpersoneel, reizigers, commissionnairs en makelaars, en deze schijnen vaak in beter economische positie te verkeeren dan de kleine winkeliers en de depôthouders, die in hoofdzaak het percentage der personen in de positie A en B hoog maken. |
| |
|
|
|
| |
| 374 |
| |
In de nijverheid is iets dergelijks het geval. Hier zijn het echter met het kantoorpersoneel de machinisten, de onderbazen, meesterknechts en de technici, die over het algemeen beter wonen dan de kleine ondernemers bijv. in de hout- en stroobewerking, de schoenmakerij en de veenderij.
Wat de verschillende klassen der Nijverheid betreft, houden de verschillen in de percentages der ondernemers in vele gevallen verband met de op blz. 195 voor de ondernemers berekende percentsgewijze verhoudingen tot de sterkte van de geheele klasse. Daar toch vertoonen lage percentages, de aardewerknijverheid, de diamantindustrie, de drukkersbedrijven, de chemische nijverheid, de oergraverij, de machinefabricage, de scheepsbouw, de papierindustrie, de textiele nijverheid en de fabricage van gas en electriciteit. Met slechts 2 uitzonderingen, de oergraverij en de scheepsbouw en rijtuigfabricage, komen ook in bovenstaand overzicht lage percentages voor. Wat de oergraverij betreft is de oorzaak gelegen in het groot aantal verveners, dat zich onder het betrekkelijk gering aantal ondernemers bevindt, en die wat woongelegenheid betreft ongeveer in gelijke omstandigheden verkeeren als de gewone werklieden. Bij den scheepsbouw en de fabricage van rijtuigen bestaat een soortgelijke toestand ten opzichte van de voor eigen rekening werkende wagenmakers ten platte-lande.
Een betrekkelijk groot aantal ondernemers, dus veel kleine nijverheid, vindt men in de bouwbedrijven, in de hout-, kurk- en stroobewerking, in de lederindustrie, in de metaalbewerking en in de fabricage van voedings- en genotmiddelen en daarmede in verband, worden ook in bovenstaande cijfers in die klassen hooge percentages aangetroffen.
De kleedingnijverheid, die een betrekkelijk zeer groot aantal ondernemers bezit, heeft hier slechts een middelmatig percentage. Men bedenke echter dat een zeer groot deel der ondernemers in die industrie niet behoort tot de hoofden van gezinnen (costumières, modistes en naaisters) die niet in bovenstaande cijfers zijn begrepen.
Ook in de handelsbedrijven bestaat verband tusschen het betrekkelijk aantal ondernemers en de percentages der hoofden van gezinnen, wonende in woningen met meer dan 2 personen per vertrek.
Bij de vrije en overige beroepen verkeeren de hoofden van gezinnen in kerkelijken dienst werkzaam, wat woongelegenheid betreft in de gunstigste conditie. Daarop volgt het bijzonder onderwijs, dan de eigenlijke vrije beroepen die worden gevolgd door staats- en gemeenteambtenaren. Vrij hoog is het percentage der hoofden van gezinnen (voor een groot deel watermolenaars) in dienst eener waterschap.
Bestaan er om de aangeduide redenen niet onbelangrijke verschillen tusschen de percentages der ondernemers, ook bij de gewone werklieden zijn verschillen waar te nemen, die in hoofdzaak zullen voortspruiten uit de verschillen in den loonstandaard bij de verschillende bedrijven. Hooge percentages worden aangetroffen in de aardewerk- en steenfabricage, in de hout-, kurk- en stroobewerking in de oergraverij en in de papierindustrie, in de textiele nijverheid, in den landbouw en de visscherij, terwijl vrij lage percentages voorkomen in de diamantnijverheid, in de drukkersbedrijven, in de kleedingnijverheid en in de kunstindustrie.
Op alle voor handel en nijverheid voorkomende percentages zal ook van invloed zijn de verspreiding der bedrijven over het land. Wordt een bedrijf in hoofdzaak uitgeoefend op plaatsen, waar de woningstoestanden minder gunstig zijn, dan zullen de percentages ook uit dien hoofde hooger zijn dan voor bedrijven meerendeels uitgeoefend in streken, die, wat woningtoestand aangaat. in gunstiger conditie verkeeren. Deze omstandigheid zal het ook voornamelijk zijn, die de verschillen bepaalt, welke er voor dezelfde bedrijven tusschen de verschillende provinciën en groepen van gemeenten onderling bestaan. |
| |
| ____________ |
| |
|
|